|
|
|
|
Een lens met een brandpuntsafstand van 50mm en een diameter van 18mm
heeft een lichtsterkte van 50/17 = 2,8.
Een lens met een brandpuntsafstand van 100mm en een diameter van 35mm
heeft ook een lichtsterkte van 100/35 = 2,8.
Om ons het rekenwerk te vergemakkelijken, schrijft de leverancier altijd
de brandpuntsafstand én de lichtsterkte op de lens (en niet de diameter).
Het diafragma kan worden ingesteld in klikjes (Engels: "stops"). Elk volgend klikje levert 2 maal zo veel/weinig licht door de lens. Dat is handig, omdat de stops van de tijd en diafragma ook steeds een factor 2 verschillen, zodat je met één stop tijdverschil precies met één diafragma-stop kunt compenseren.
Omdat het oppervlak van de lens evenredig is met het kwadraat van de diameter, verschillen de diafragma-stops onderling dus de vierkantswortel van 2, oftewel 1,41. Zo ontstaat de reeks:
| 1 | 44 | 1,4 | 2 | 2,8 | 4 | 5,6 | 8 | 11 | 16 | 22 | 32 | 44 |
Achter de lens zit het diafragma: 6 of 8 zwarte metalen plaatjes schuiven over elkaar en maken daarmee een groter of kleine gat waar het licht doorheen moet. Hoe kleiner het gat, des te minder licht er doorheen komt.
Diafragma f/4 betekent: de diameter van het gaatje is ¼ van de brandpuntsafstand. Dus een lens met f=50mm heeft bij een diafragma f/4 een gaatje van 12,5 mm. Kies hierboven voor een ander diafragma.
De hoeveelheid licht die door een lens met een brandpunt van 50 mm komt, is afhankelijk met het oppervlak van de lens, én de afstand van de lens tot de sensor/film (de brandpuntsafstand).
Bij een lens met een brandpunt van 100 mm is de afstand tot de film 2x zo groot. Om precies dezelfde lichtstralen binnen te laten, moet de diameter van de lens ook 2x zo groot worden (het oppervlak wordt daarmee 4 x zo groot).