Echter ... als we niet helemaal precies scherpstellen
(of het voorwerp niet zuiver vlak is),
dan projecteert de lens de afbeelding vóór of áchter de film of sensor.
Op de film of sensor vallen alle lichtstralen uit de lens dan niet precies
op 1 punt, maar op een groter vlak. De foto is dan onscherp.
Hoe groter de vlek, des te groter de onscherpte.
Een beperkte mate van onscherpte is acceptabel : vlekken die kleiner zijn
dan de filmkorrel of een pixel van de sensor, kunnen we niet waarnemen
en die is dan dus ook niet storend.
Kijk zelf maar, hoe groot de de lichtpunt (links) wordt afgebeeld op de film of sensor (het stilstaande verticale streepje rechts) :
De afstand, waarbinnen een voorwerp voldoende scherp blijft,
noemen we de scherptediepte (DOF, Depth Of Field).
Hoe kleiner het diafragma, des te groter de scherptediepte.
Om het exact uit te rekenen, zie:
Scherptediepte berekening
Bij een volle lensopening (F/2) en een onscherp voorwerp,
wordt het lichtpuntjes al vrij snel een grote vlek.
Onscherpte is daardoor al vrij snel te zien, en dus storend.
Bij een klein diafragma (F/22) blijft de afbeelding van
het lichtpuntje
nog redelijk klein, doordat de lichtstralen tóch al bijna
parallel lopen. Onscherpte is daardoor veel minder snel te zien,
en dus minder snel storend.